Fragment: de eerste tien pagina's van Gerardo's debuutroman Armelia

DEEL 1

 

Armelia

 

Na wat er op 17 augustus 1936 was gebeurd, was alles mogelijk geweest.

Carmen, de oudste van de drie zusters van wie ik de achternaam onvermeld zal laten, schrok de ochtend van de tweede september van dat jaar wakker. Haar hoofd vulde zich met pijnscheuten en haar lichaam rilde van eenzaamheid. Ze lag op haar rug en staarde krampachtig naar het plafond. Haar hart bonsde zo hevig dat ze het gevoel had dat het uit haar borstkas gedrukt zou worden. De rillingen namen ondanks haar pogingen kalm te blijven in hevigheid toe en lieten zich niet in enige regelmaat vangen. Ze voelde zich slap, alsof iemand haar het leven had ontnomen.

Zo moest het voelen te sterven.

Besluiteloos bleef ze liggen, in de hoop dat haar lichaam de rust zou hervinden. Ze had het idee dat de muren het nu elk moment konden begeven. Ze sloot haar ogen, maar er gebeurde niets. Misschien was het dorp getroffen door een aardbeving. Doña Marisa, die zich in haar vrije tijd met esoterische zaken bezighield, had na 17 augustus geroepen dat het dorp nog meer rampen te wachten stond. Dit zou er één kunnen zijn. Toch, van een aardbeving kon geen sprake zijn, die kwamen in dit gebied niet voor. De meeste huizen in het dorp waren niet bestand tegen natuurgeweld, het huis van Carmen zou als eerste met de grond gelijk worden gemaakt. Het was een jaar of veertig geleden gebouwd door vier broers die het grootste gedeelte van hun tijd doorbrachten in de bar van don Ayala, die berucht was om zijn woedeaanvallen. Zij hadden het huis in allerijl opgetrokken en in hun haast alle bouwkundige regels aan hun laars gelapt.

Carmen luisterde aandachtig of ze een vreemd geluid kon ontdekken, maar de muren hielden zich stil, de deuren beefden niet, en er klonk geen paniek vanuit de straten, zoals de zeventiende augustus het geval was geweest. Er was niets dat wees op een aardbeving.

Ze slaakte een diepe zucht en probeerde zichzelf op te richten. Het kostte haar de grootst mogelijke moeite en pas na een aantal mislukte pogingen zat ze rechtop in haar bed. Carmen, die de vorige avond vroeg naar bed was gegaan, was niet in staat een bevredigende verklaring te geven voor de bizarre gebeurtenis, die haar in haar slaap had overvallen. Terwijl haar lichaam rilde, schoten haar de volgende woorden te binnen:

 

Y que yo me la llevé al río

creyendo que era mozuela,

pero que tenía marido.

 

En ik nam haar mee naar de stroom

denkend dat ze een meisje was,

maar ze had een echtgenoot.

 

Carmen keek de kamer rond en zag niets. Het was nog vroeg in de ochtend en aardedonker. Met de toppen van haar vingers, die tintelden van de spanning, tastte ze het bed af. Aan haar zijde van het matras voelde ze een plas van zweet. Ze sloeg een kruis en dankte God dat ze niet was verdronken.

Met haar rechterhand veegde ze het zweet van haar voorhoofd, dat in grote hoeveelheden neerdaalde en via haar bovenrug en borsten, buik en onderrug, via haar dijen, billen en geslacht in het matras drong. Het zweet bleef stromen, als een regenbui waar geen einde aan komt. De drukkende benauwdheid die zich in het dorp had aangediend, nu een week geleden, moest er de oorzaak van zijn. Carmen, die op haar zesde bijna was bezweken aan een infectie aan haar luchtwegen, voelde een misselijk gevoel opkomen in haar onderbuik dat haar ineen deed krimpen. Voor even dacht ze terug aan de weken die ze als kind in bed had doorgebracht. De angst die ze op dit moment uitstond was minstens zo erg als die benauwde weken in haar kindertijd toen ze het laatste beetje kracht dat ze nog bezat gebruikt had om haar moeder duidelijk te maken dat ze bang was om te sterven. Ze liet haar hoofd hangen en streelde met haar handen over haar haar, dat met een touwtje strak bijeengehouden werd. Het voelde drijfnat aan, alsof ze haar hoofd zojuist had ondergedompeld. Vroeger had ze een volle bos haar gehad, pikzwart, als een zigeunerin, maar door de gebeurtenissen van de afgelopen maanden was het flink uitgedund. Bovendien werden bij haar slapen de eerste tekenen van ouderdom zichtbaar.

Ook het dorp zweette, het had de zeventiende augustus doodsangsten uitgestaan. Die dag hadden de tranen rijkelijk gevloeid en was het bloed de aarde in gestroomd. Don Aranda, die op hoge leeftijd nog leerde lezen en schrijven, had de volgende ochtend een viertal zinnen op een klein stukje papier geschreven:

 

Het bloed, het zweet en de tranen zijn er voor iedereen.

Genoeg voor u allen.

Neemt u maar wat u nodig heeft.

 

Dit is slechts het begin.

 

Bang om gesnapt te worden, vouwde hij het papiertje op en stak het weg in een klein gaatje in de muur.

Op deze ochtend, de ochtend van de tweede september 1936, was de geur van de Dood nog alom aanwezig en zou nog enkele jaren aanblijven. De zon had zich nog niet laten zien en de hanen in het dorp waren nog in diepe slaap.

Alleen de haan van don Santiago had de ogen geopend, om de eenvoudige reden dat hij de slaap niet kon vatten, al jaren niet. Hoogstwaarschijnlijk was de haan van don Santiago de enige haan ter wereld die leed aan slapeloosheid. Don Santiago, die de oorlog niet nodig had gehad om weduwnaar te worden, was dol op zijn haan, die zijn enige bron van inkomsten was. Hij vertroetelde het beest alsof het zijn kind betrof en nam het tot diep in de nacht op schoot, waarbij hij onophoudelijk zijn nek streelde. De haan liet zijn kop naar voren hangen, met zijn snavel tegen het been van don Santiago en liet zich gewillig betasten.

Don Santiago, die een respectabele leeftijd had bereikt, had ingezien dat je van werken niet rijk werd en had van de ene op de andere dag zijn baan opgezegd. Zijn hele leven had hij zichzelf opgesloten in een klein hokje om de kinderen snoep te verkopen. Later verkocht hij ook kranten. Ook don Mercurio, van wie bekend was dat hij geen letter kon lezen, kocht wekelijks een krant bij hem waarna hij op een plek ging zitten waar iedereen kon zien dat hij aandachtig de tekens bestudeerde. Op de dag dat don Santiago besloot het werk neer te leggen, had de haan problemen gekregen met inslapen, alsof het beest zich zorgen maakte over de ellende die hun te wachten stond.

De slapeloosheid van de haan en de armoede van don Santiago namen evenredig toe. De slapeloosheid had een proces in werking gezet waarvan het resultaat na enkele weken zichtbaar werd toen het beest uit het niets urenlang rondjes begon te lopen. Don Pascual, een van de weinige mensen die destijds nog bij don Santiago over de vloer kwam, had na het beest minuten aandachtig geobserveerd te hebben tegen don Santiago gezegd: ‘Dit beest is gek.’

Don Santiago, die nooit spijt kreeg van zijn besluit te stoppen met werken, had zijn haan af en toe opgetild, met de handen onder de buik. Het ontbreken van contact met de grond was voor de haan geen reden om op te houden met lopen; zijn poten maakten onverstoorbaar dezelfde loopbeweging in de lucht. Dan zette don Santiago de haan weer neer en liep het beest zijn rondjes, alsof er niets was gebeurd.

Wanneer de haan van vermoeidheid door zijn poten zakte, stopte hij een ogenblik, haalde een aantal keren diep adem en liet zijn snavel rusten in het zand. Niet veel later stond hij weer op en vervolgde met een ongekende frisheid, alsof hij jaren geslapen had, zijn weg. ’s Avonds, als de zon onder ging, stopte de haan en wachtte roerloos tot don Santiago hem met beide handen oppakte en hem meenam naar de woonkamer, waar hij het beest tot diep in de nacht aaide.

Ondanks de armoede die don Santiago ten deel was gevallen, kon hij het niet over zijn hart verkrijgen het beest af te maken. Hij zou er zeker een week van kunnen eten. Na de dood van zijn vrouw, in maart 1928, kwamen er nog regelmatig mensen naar zijn kiosk om een praatje te maken. Na zijn besluit te stoppen met werken, had hij niet veel aanspraak meer gehad en was hij van de ene dag op de andere in een isolement geraakt. De slapeloze haan zorgde voor een ommezwaai in zijn eenzame bestaan, en alleen al om die reden zou het nooit in zijn hoofd zijn opgekomen het beest de nek om te draaien. De haan was een sensatie in het dorp. Kinderen, maar ook volwassen, konden zich urenlang vermaken door naar de haan te kijken. Er kwamen soms zelfs mensen uit nabijgelegen dorpen naar het huis van don Santiago om de haan te bewonderen.

De kinderen zaten in een kleine cirkel op de grond, zodat er nog genoeg ruimte was voor de haan om rondjes te lopen. Een enkele nieuwsgierige volwassene stond achter de kinderen, met het hoofd voorovergebogen. Onder luid gejuich vertoonde de haan zijn kunsten. De dorpelingen schreeuwden uitbundig en werden bevangen door dezelfde krankzinnigheid als die het lichaam van de haan was binnengetrokken.

Don Santiago had zijn haan de toepasselijke naam Vuelta gegeven.

¡Vuelta, anda, Vuelta, anda!’ werd er geroepen. De mensen klapten in een duizelingwekkend tempo. Een enkele volwassene stapte na het schouwspel op don Santiago af en gaf hem een aantal perras chicas. De kinderen wierpen de haan om de beurt een beetje voedsel toe. Wanneer het voedsel op de aarde neerstreek, stopte Vuelta, en keek hij de menigte vol onbegrip aan, alsof hij zich af leek te vragen wie er hier nu krankzinnig was. In een razend tempo pikte de haan de stukjes brood en groente van de grond en onder luid geschreeuw en gelach van de kinderen vervolgde hij zijn eindeloze route. ‘¡Anda, Vuelta, anda!’

Ook deze ochtend, de ochtend van de tweede september 1936, had Vuelta, op het moment dat Carmen wakker geschrokken was, de ogen geopend. Maar hij kraaide niet. Vuelta kraaide nooit, ook vroeger niet, voordat hij aan slapeloosheid leed. Alsof hij van mening was dat kraaien een taak is van de kippen. Die weten immers net zo goed dat het ochtend is.

 

Slechts een paar jaar eerder had het dorp kennis gemaakt met elektriciteit. Don Rodolfo, die als meest gefortuneerde inwoner bekendstond, had per brief geëist dat zijn huis als eerste voorzien zou worden. Om dit te bewerkstelligen had hij de burgemeester een flinke stapel papiergeld voorgehouden. Nadat de bedrading was aangelegd, doopte hij zijn huis ‘Iluminación’ en nodigde een aantal vrienden uit, die gedurende de hele nacht in het schijnsel van enkele lampjes cognac dronken en kaartspellen speelden. Don Rodolfo had wel honderd keer geroepen dat het nooit meer nacht werd in huize ‘Iluminación’. Later mochten ook andere dorpelingen het nieuwe wonder aanschouwen. De reacties bij het zien van dit mirakel liepen nogal uiteen. Voor de een was het de grootste uitvinding van de eeuw, een ander noemde het pure hekserij. Nog later, toen iedereen gewend was aan het nieuwe verschijnsel, werden ook de huizen van minder gefortuneerde inwoners aangesloten op het elektriciteitsnetwerk.

Met haar linkerhand tastte Carmen in het duister, zoekend naar de schakelaar van het nachtlampje dat zich een plaats had weten te bemachtigen op een donkerbruin nachtkastje, dat haar grootmoeder enkele dagen na de staatsgreep van 1868, waarbij Isabella de Tweede werd afgezet, had gekocht op een jaarlijks terugkerende markt in Mérida. Carmen had het stuk na de dood van haar grootmoeder geërfd. Ze had het meubel destijds met afschuw in ontvangst genomen, maar naarmate de tijd voorbijging en zij het elke dag in haar slaapkamer zag, waardoor de herinneringen aan haar grootmoeder bovenkwamen, begon zij er meer waarde aan te hechten.

Haar vingers omklemden de schakelaar. Ze drukte. Tot haar grote verbazing sprong het licht aan, wat in die tijd niet vanzelfsprekend was, aangezien het elektriciteitsnet met grote onzorgvuldigheid was aangelegd. Het was altijd maar de vraag of het lampje aansprong en zo ja, voor hoe lang. Het enige dat zeker was, was dat er aan het einde van de maand een rekening betaald diende te worden. En die rekening bedroeg één perra gorda, ongeacht of je veel of weinig elektriciteit gebruikte, of je vlees at of dat je moest stelen om in leven te blijven.

Het lampje verlichtte de gehele slaapkamer. De felheid van het licht deed haar pijn aan haar ogen. Het duurde enkele ogenblikken voordat ze zonder haar ogen samen te knijpen de kamer in kon kijken. Vanuit haar ooghoek zag ze bij de deur vluchtig iets bewegen. Ze was ervan overtuigd dat wat ze gezien had de vorm van een mens had gehad. De verschijning had de kamer verlaten door de deur, die open stond en uitkwam op een smalle corridor, die de verbinding vormde tussen de voordeur en de woonkamer, achter in het huis.

Carmen hield haar ogen gericht op de deurpost, in de hoop dat de verschijning terug zou keren en zich bekend zou maken. Enkele seconden gingen voorbij, maar het wachten was tevergeefs. Carmens lichaam rilde nog steeds. Het knarsende geluid van het lampje naast haar vermaalde haar zenuwen. Carmen maakte cirkeltjes met haar tong om haar lippen te bevochtigen. Ze twijfelde een ogenblik of ze haar man moest wekken, maar besloot hem te laten slapen.

Ze stond op, liep langs de drie foto’s waarvoor ze de vorige avond langdurig had stilgestaan en liep op de deur toe, vanwaar ze een blik de gang in wierp. De verschijning had zich al uit de voeten gemaakt. Carmen kroop terug in bed terwijl ze nadacht over de drie foto’s. Zij waren die ochtend haar getuigen geweest en hadden de verschijning bijna aan kunnen raken. Zij hadden zonder twijfel de geur van de Dood geroken.

De Dood beleefde drukke tijden. In het hele land stierven mensen van de honger. Anderen stierven tijdens oneerlijke gevechten. Weer anderen werden om onbegrijpelijke redenen gefusilleerd. De tentakels van de Dood strekten zich uit over het hele land, in de koude bergdorpjes in het noorden, op de meseta, waar de dorpen uit de aarde leken te groeien, in de streken waar don Quichot zijn avonturen had beleefd, in de maagdelijke witte dorpen in het zuiden, aan de kust en in de hoofdstad. En die ochtend, de ochtend van de tweede september, had iemand in een afgelegen, vergeten dorpje in het zuiden van Extremadura een afspraak met de Dood.

Carmen probeerde met haar peignoir het zweet van haar voorhoofd te vegen. Ook dit was tevergeefs; de peignoir was drijfnat. Nog nooit had Carmen zich zo smerig gevoeld. Ze haalde een aantal keer diep adem en nu rook ook zij de indringende geur van de Dood, die zich door de hele kamer had verspreid. Een muffe geur, maar tegelijkertijd zacht en aangenaam.

Ze keek een ogenblik naar Pedro, die naast haar op zijn rug lag, met zijn armen over zijn buik, de handen ineengeslagen, als een dode die opgebaard ligt. Zijn gesnurk deed Carmen denken aan het lawaai dat een varken voortbrengt wanneer het geslacht wordt. Een hoog, indringend geluid, dat wanneer je het éénmaal gehoord hebt, in je geheugen gegrift staat. Onlangs had ze een varken geslacht zien worden op de binnenplaats van het slachthuis. Het beest werd eerst achternagezeten door een aantal jongens dat er blijkbaar schik in had het op te jagen. Vervolgens werd het met een houten knuppel op de kop geslagen. Om het varken aan de pijn te laten wennen sloegen de jongens eerst zachtjes, maar langzaam maar zeker werden de klappen harder. Carmen had zich verwonderd over de gewelddadigheid van het tafereel, maar had niet ingegrepen. Pas toen de hersenpan van het beest aan gruzelementen was geslagen en het bloed uit zijn mond stroomde, trok één van de jongens een groot mes en doorboorde het beest, als bij een stierengevecht. Het mes drong de taaie huid binnen en sneed de slagader open. Geruisloos en effectief. Voordat het varken door zijn poten zakte en de pijn de aarde in vloeide, had het halfdode beest nog een keer wat van zich laten horen.

Pedro had de avond doorgebracht met enkele vrienden in de bar van don Pepe, die al jaren geen bijslaap had gehad. De tijd werd gevuld met het spelen van domino. Iedere keer wanneer de stenen opnieuw werden verdeeld, werd er door een van de heren wat te drinken besteld. Pedro en zijn vrienden hadden zich nooit met politiek bemoeid, ook niet toen de spanningen in het land al hoog waren opgelopen. Om te zorgen dat zij niet met politiek werden geconfronteerd, lazen zij bewust geen kranten en weigerden ze naar het nieuws op de radio te luisteren. Ook hielden zij de ogen gesloten voor wat er zich enkele weken eerder in het dorp had afgespeeld. Pedro maakte slechts af en toe een handgebaar en Don Pepe, die een uitmuntend geheugen had, vulde zonder verdere aanwijzing de glazen bij. De ogen van de doden werden snel vergeten. En de cognac hielp hen daarbij. Pedro klapte in zijn handen en overstemde met luidkeels gezang het geluid van de krekels.

 

Fue la noche de Santiago

y casi por compromiso.

Se apagaron los faroles

y se encendieron los grillos.

 

Het was de avond van Sint-Jakob

en het leek wel afgesproken.

De lantarens gingen uit

en de krekels zijn ontstoken.

Pedro en zijn vrienden hadden zich echter vergist. De oorlog was er voor iedereen, maar voor de één meer dan voor de ander.

 

(Meer lezen? Kijk hier voor een fragment uit de aanbiedingstekst. Klik hier voor 4 korte verhalen uit Armelia die zijn gepubliceerd in De Brakke Hond) .